Bron: FAW


Brief d.d. dinsdag 23 oktober 1787, toegeschreven aan Mevr E.A, Weerts-Wentholt (1740-1820)

Verklaring:
Het bezoek van de kolonel van G., die bij schrijfster logeert is kennelijk een eerste poging om de gemoederen te bedaren na de gebeurtenissen van september.

  • Graaf Wilm van Heijden: Mogelijk een zoon van graaf van Heiden Hompesch.
  • Broeder en suster uit de Polstraat. Zwager Johan Weerts en zijn vrouw


    
    1	Dinsdag avond den 23 october, dag [ein]d. 	   
    	Den dag van heden is dan tot hier toe 	   
    	afgelopen. Door Gods groote goedheid sonder 	   
    	ongemak, maar evenementen die ik 	   
    5	niet hadde kunnen voorsien. Geen kwaad	   
    	S[waan] en ik waren om 9 uur van de morgen 	   
    	so wat in order, so veel mijn omstandig-	   
    	heden van kleeren sulks toelieten. Daar 	   
    	op kwaamen er een hondert man of 	   
    10	drie Pruissen binnen, en posteerden sig 	   
    	hier voor het huis. Ik was seer ontroert.	   
    	[Toen] kwam de koets van de Coll[onel] van Gockinge 	   
    	hier. Hij reed te paard. Wierd hier geintro-	   
    	duceert door den jongen graaf Wilm van Heijde.	   
    15	Een ogenblik daarna ging ik binnen	   
    	om mijn compliment aan de heer	   
    	Coll[onel] van Gokkinge te maken. Graaf Wilm sijde 	   
    	ik de vrouwe van den huise was, waarop 	   
    	hij mij sijde mij so veel omstandigheide 	   
    20	veroorsaakte. Ik seyde mij sulks veel 	   
    	eer was. Dat ik alles soude toebrengen 	   
    	wat in mijn vermogen was. De vrinde-	   
    	lijkheid van de Coll[onel] is onbeschrijffelijk.	   
    	Hij bad mij, mij dog so niet te vermoeyen. 	   
    25	S[waan] kwam binnen, en maakte haar 	   
    	compliment. Daar op volgde alle de  	   
    		   
    	                                         blz 2	   
    		   
    	Pruissische officieren, die van Oranje Gelderlant. 	   
    	De Presidenten lieten vragen, de gecommitteerden 	   
    	uit de Burgerey, enfin een geloop dat ons 	   
    30	huis was als  een openbaar wijnhuis. 	   
    	Alles liep uit en in. Op de opkamer was 	   
    	een tafel van 25 couverts. Ten Broeke dede alles 	   
    	er bij, hier wierden 7 schotels vis etc gekookt. 	   
    	De bedienden van de Baron van Gokkinge 	   
    35	saten in de kelderkeuken, alle de overige 	   
    	kamers geocupeert.	   
    	Ten Broek was hier. Wij saten met ons beyde 	   
    	S[waan] en ik in de stenekamer sagen dat geheele 	   
    	toneel in ons huis krielen, Mev[rouw] de Wed[uwe] 	   
    40	de Schepper sond twee knegts, om te dienen. 	   
    	Burgerm[eester] Borgerink een knegt. Ik vroeg 	   
    	die Seygneurs of sij van haar vrouw en heer 	   
    	hier na toe waren gestuurt, die mij antwoorden 	   
    	van ja. Direct daar op vertelden die knegs 	   
    45	sulks weer over en dat was van dat gevolg 	   
    	dat der een bode kwam om te seggen dat 	   
    	de heeren van de magistraat, die knegt daar 	   
    	toe hadden laten versoeken. Al weer goed dagt ik. 	   
    	Ik leed alles geduldig.	   
    50	Wij lieten ons nu en dan eens sien, dog je begrijpt 	   
    	man heer en vriend hoe ik was gestelt. 	   
    	T[h]ee sittende te drinken met S[waan] hoorden wij 	   
    		   
    	                                                               blz.3	   
    		   
    	dat er al wat vertrokken. Dat was omdat van 	   
    	avond door de stad een bal aan de Pruissen	   
    55	officiers word gegeven, en wij dagten sij 	   
    	daar al na toe trokken. Daar op word 	   
    	de deur van de Stenekamer geopent, en 	   
    	de Coll[onel] van Gokkingé komt met Burger-	   
    	meester P[utman] en Burgerm[eester] Borgerink binnen 	   
    60	treden. Ik was als de dood, God ondersteund 	   
    	mij. Wie het woord dede weet ik niet meer, 	   
    	maar altans het kwam hier op uit 	   
    	dat de Coll[onel] van Gokkingé voor sijn vertrek 	   
    	uit de Provintie, geern sag dat de harmonie 	   
    65	tusschen de twe[e] partijen herstelt wierde, en 	   
    	dat hij de heeren bij sijne werdin, bragt om 	   
    	met deselve die vrede te maggen.  Putman dede 	   
    	veel protestatien dog verweet mij ook seer 	   
    	de insolentien die mijn soons aan haar 	   
    70	en de hare hadden gedaan, dog dat hij 	   
    	alles vergeven en vergeten wilde, en 	   
    	men weer vrientschap moest maken, en 	   
    	dat hij tegen alle violentie was geweest. 	   
    	Sijn soons in veel huisen waren geweest 	   
    75	om die, die donderdag te sauveren. 	   
    	Ik seyde dat wij fatsoendelijke lieden met 	   
    	m[el]kanderen waren dat ik nooyt enige 	   
    	inpolitesse aan haar of de haaren had 	   
    	beweesen en dat ik van haar kant dat ook 	   
    80	verwagte. Dat sulks alles wel was, maar 	   
    		   
    	                                              blz. 4	   
    		   
    	dat mijnen e[de]le heer so sterk beledigt 	   
    	was door die officieren, dat hij sekerlijk 	   
    	satisfactie daar eerst over soude willen 	   
    	hebben also sij hem voor mijnedige uitge-	   
    85	maakt hadden, en hem so hadden gedrijgt 	   
    	Dat woort van satisfactie was geloof ik 	   
    	te sterk. Altans P[utman] wierd seer colleriek en sijde 	   
    	dat sijn neef daar altijt als een officier van 	   
    	den Staat toe veerdig was, 't sij met den degen 	   
    90	het sij met pistolen so mijn heer dat soude 	   
    	verkiesen, op wat voor teritoir Gelders, Fries of Overijsels. Den goeden heer 	   
    	Coll[olonel] sag wel dat er meer als ordinair wijn 	   
    	drinken op hem effect dede, apaiseerde hem 	   
    	en bragt hem so ver dat weer heel tranquil 	   
    95	wierd en vervolgens sijde hij dat hij sig 	   
    	sterk maakte dat sijn neef V. en de Capi[tein] 	   
    	B. bij hem op 't wijnhuis souden koomen 	   
    	en hem een glaasje van vrientschap souden 	   
    	aanbieden. Dat mijn man daarmede we[l] 	   
    100	genoegen soude nemen. Dat hij eerst wel 	   
    	bij mijn man wilde koomen, en met 	   
    	hem spreeken. Althans de saken kwamen 	   
    	so ver dat de collonel van Gokkinge 	   
    	mijne hand en de sijne samen lijden 	   
    105	om vrientschap te maaken. Lyde syne hand 	   
    	daar op. Ik seyde wel vrientschap te willen 	   
    	maken wat mijn personeel betrof, dog dat ik 	   
    		   
    	                                                  blz 5 	   
    		   
    	voor mijn e[de]le heer niets konde beloven.	   
    	Ik sijde dat ik hem het geval sou.de schrij[ven]	   
    110	Burgem[eester] Borgering de s..d. president boot	   
    	sig als mediateur aan. Ik bedankte hem	   
    	met een dinares te maken. Daarop wierd	   
    	een glas anisette gedronken. Hij P[utman] bood sig	   
    	bij dag en nagt aan voor ons en onse goederen	   
    115	te sullen sorgen en als ons wat overkwam	   
    	direct bij hem te koomen. Graaf Wilm kwam	   
    	ook in de kamer en broeder en suster uit de P[ol]	   
    	straat. Dat duurde also voort. Zijnde ....	   
    	wierd het tijt om na fees[t]bal te gaan. De zoon	   
    120	van de coll[onel] (nu sul je hooren) die hier ook	   
    	logeert komt binnen [vr]aagt S[waant]je om 	   
    	na het bal haar te mogen brengen. Ik	   
    	had haar reets geseyd wie haar ook vroeg te	   
    	moeten bedanken so als ook dede en ik	   
    125	seyde dat ik selvs mij genootsaakt vont	   
    	voor haar te bedanken. De jonker dat niet	   
    	regt begrepen hebbende ging in de voorkamer	   
    	en sijde dat hij met haar na het bal ging.	   
    	Daarop komt graaf Wilm en vraagt haar	   
    130	de eerste dans met haar te mogen danssen.	   
    	Sij seyde den jonker gesegt te hebben dat sij bed[ankte]	   
    	daarop kwam de coll[onel] van Gokkingé selvs. Bad	   
    	mij hij mogt haar dan bringen op 't bal al	   
    	was 't maar voor twe[e] stonden. Denkt hoe ik	   
    135	was, wat niet, wat [wel] doen. Die heer te bedanken	   
    		   
    	                                                     blz 6 	   
    		   
    	was een hoon die hij hoog soude hebben	   
    	opgenomen. Ik seyde dat ik mijn dogter	   
    	in sijn protectie aanbevool dat ik het	   
    	gewygert had omdat bang was, haar enig	   
    140	insultes souden gedaan worden. Hij sijde haar	   
    	voor sijn rekening te sullen nemen en ha[ar].	   
    	selvs met de caros weer thuis soude brenge[n]	   
    	J. en de vrouw sijde ook ik konde het	   
    	niet wijgeren. Ik schreijde. Hij sijde al	   
    145	moederke ik sal er voor sorgen.	   
    	Graaf Wilm sijde mij hij soude so er iets gebeur[de]	   
    	rekenen als of het hem aangedaan wierd.	   
    	S[waan] vertrok met de coll[onel]. Tranen in de ogen.	   
    	Sij was ontroert. Ik s.... On[se] vrienden bleven nog	   
    150	wat sitten, 2 stonden. Daarna hoorden wij	   
    	de koets stil houden. De coll[onel] leverde haar	   
    	aan mij weer over. Ik bedankte hem voor	   
    	de groote eer haar bewesen en de goede	   
    	man ging na bed. S[waan] was nog al conta[nt]	   
    155	over de behandeling. 't was er seer vol gewe[sen]	   
    	van vreemde officieren etc. ook de commissie ui[t]	   
    	de burgerrey, D[ominee] Houssart en van Linden	   
    	als de gemeensman Rolland Brakel.	   
    	Ik [zit] het van de nagt te schrijven. Ik ben al[s] 	   
    160	in een droom en af morgenvroeg vertrekt hij.	   
    	De coll[onel] heeft mij versogt niet op te staan. Ik	   
    	sal wel wijser wesen. Weet nog niet of na be[d]	   
    	kan gaan met al dat vreemd volk in huis.	   
    	Adieu menheer en vriend.	 
    
    
    
    

    <<< Terug <<<



    home.deds.nl/~hdebie45/Genea